Steken opnemen maakt een nieuwe reeks levende steken langs een bestaande rand, zodat je een boord, halsboord, knoopbies of kraag direct aan het stuk kunt breien zonder iets vast te naaien. Een ruwe rand wordt een afgewerkte rand.

De standaardverhouding voor steken opnemen langs een verticale rand in tricotsteek is 3 steken per 4 toeren, als compensatie voor het verschil tussen steekbreedte en toerhoogte. De beweging zelf leer je snel. Het lastige deel is de verdeling: hoeveel steken neem je op over een bepaalde lengte, en hoe verdeel je ze gelijkmatig?

Steken opnemen tegenover opnemen en breien

Patronen gebruiken beide formuleringen, en ze betekenen net iets anders, hoewel veel breiers en ontwerpers ze door elkaar gebruiken.

Steken opnemen: steek de naald onder een draadje aan de rand, sla de draad om en trek een lus door. Steek op de naald.

Opnemen en breien: steek door de rand, sla om en trek in één breibeweging door. Je maakt en breit de steek tegelijk.

In de praktijk doen de meeste breiers “opnemen en breien”, wat het patroon ook zegt. Het resultaat is hetzelfde. Als het patroon een aantal noemt, is dat het aantal steken dat op je naald moet staan wanneer je klaar bent.

Langs een horizontale rand (opzet- of afkantrand)

De simpelste richting. Elke steek in de rand heeft een zichtbare V. Steek de naald door het midden van de V, onder beide benen, sla om en trek door. Eén steek per steek in de rand.

De verhouding is meestal 1:1. Tachtig afgekanterde steken, 80 steken opnemen, of zoveel als het patroon noemt. Soms vraagt het patroon minder, wat betekent dat je op regelmatige plekken steken overslaat.

Langs een verticale rand (zijkant van de stof)

Hier telt de verdeling. Toeren en steken zijn niet even hoog. Een typische tricotverhouding kan 20 steken per 10 cm horizontaal zijn en 28 toeren per 10 cm verticaal. Eén steek per toer opnemen geeft langs de verticale rand meer steken per centimeter dan langs de horizontale rand, en de bies gaat trekken of golven.

De standaardverhouding voor tricotsteek: 3 steken opnemen per 4 toeren. Neem op in de eerste 3 toeren, sla de 4e over, herhaal. Werkt voor de meeste stekenverhoudingen, maar jouw specifieke cijfers kunnen aanpassing vragen.

Voor de exacte verhouding: deel de stekenverhouding door de toerenverhouding. Is je verhouding 20 steken en 28 toeren per 10 cm, dan is de ratio 20/28 = 0,71. Dat is ongeveer 7 steken per 10 toeren, of grofweg 3 per 4 (0,75, dichtbij genoeg). Moet je eerst je stekenverhouding controleren, begin daar.

Geeft het patroon een exact aantal op te nemen steken, deel dat dan door de randlengte in centimeters voor het tempo. Verdeel daarna: neem op in dat tempo en spreid overgeslagen toeren zo gelijkmatig mogelijk.

Langs een gebogen rand (halslijnen)

Halslijnen combineren horizontale randen (afgekante middenstukken), verticale randen (zijkanten) en gebogen of schuine randen (vormgeving). Elk deel heeft een andere opnameverhouding.

Afgekante steken: 1 per steek, net als horizontaal.

Verticale zijkanten: de 3-op-4-verhouding, of wat jouw stekenverhouding vraagt.

Hoeken waar horizontaal en schuin elkaar raken: neem 1 steek op in de hoeksteek zelf. Dat voorkomt het gaatje dat het meest voorkomende probleem bij halsopnames is.

Het patroon geeft meestal een totaal aantal op te nemen steken. Verdeel dat over de delen naar verhouding: tel afgekante steken aan de voorkant, toeren langs elke zijkant en verdeel op basis daarvan.

Ziet de hals na de eerste toer golvend uit, dan zijn het te veel steken. Trekt hij naar binnen, dan zijn het er te weinig. Een paar steken meer of minder lost de meeste problemen op.

Waar steek je de naald in?

Eén steek vanaf de rand. Tussen de kantsteek en de tweede steek. Netste resultaat. De kantsteek vormt een vouwlijn en de boord zit net binnen de rand in plaats van erbovenop.

Door de kantsteek zelf. Iets dikker, maar makkelijker en intuïtiever. Sommige patronen schrijven dit voor.

Bij naden neem je op tussen de naadsteek en de volgende steek. De naadtoeslag verdwijnt achter de boord.

Wees consequent langs de hele rand. Van methode wisselen halverwege geeft zichtbare ongelijkheid.

Veelgemaakte fouten

Te veel steken. De boord waaiert uit en ziet golvend uit. Haal de opname-toer uit en neem minder steken op. Beter meteen ontdekken dan na meerdere toeren boord.

Te weinig steken. De boord trekt naar binnen en maakt rimpels. Zelfde oplossing: opnieuw opnemen.

Ongelijke verdeling. Uitgerekte stukken en opgehoopte stukken. Verdeel de rand voor het opnemen in gelijke delen, markeer met spelden, en neem in elk deel hetzelfde aantal steken op.

Gaten bij hoeken. Neem op uit de echte hoeksteek en één steek uit elk aangrenzend deel. Blijft er een klein gaatje, sluit het dan met een paar steken garen tijdens de afwerking. De gids over naden behandelt sluittechnieken uitgebreider.

Gedraaide steken. Als de opgenomen steek met gekruiste benen op de naald zit, ziet hij er anders uit wanneer je hem breit. Het voorste been hoort voor de naald te liggen, passend bij jouw breistijl.

Veelgestelde vragen

Welke naalddikte gebruik je voor opnemen? Gebruik wat het patroon voor de boord noemt, vaak één of twee maten kleiner dan de naalden voor het lijf. Kleinere naalden voor geribde boorden geven een strakkere, nettere rand.

Kun je een haaknaald gebruiken? Ja. Sommige breiers vinden het makkelijker om lussen met een haaknaald door strakke randen te trekken en ze daarna op een breinaald te zetten. Vooral handig bij stevige randen.

Goede kant naar voren bij opnemen? Meestal wel. Neem op met de goede kant naar je toe, zodat de eerste boordtoer een toer aan de verkeerde kant is, averecht bij boorden op basis van tricotsteek. Zo komt de opnamerichel aan de verkeerde kant.

Hoeveel steken voor een knoopbies? Het patroon hoort dat te zeggen. Zo niet, gebruik dan de stekenverhouding van het boordpatroon maal de randlengte. Voor een voorrand van 50 cm in een boord die 20 steken per 10 cm geeft, ongeveer 100 steken. Pas aan als het trekt of golft.